Werner Heisenberg

Werner Heisenberg, 1901-1976

De ontdekking van onzekerheid en het schisma in de fysica

Ongeveer tegelijkertijd met Erwin Schrödinger (1887 – 1961) vindt de dan 23 jarige Duitser Werner Heisenberg een heel andere weg om tot hetzelfde resultaat te komen. Zijn benadering leidt tot de fameuze onzekerheidsrelaties van Heisenberg.

In 1926, komt Max Born, de professor van W. Heisenberg, met een heel nieuw idee: Ψ leert ons wat de kans of waarschijnlijkheid is om een elektron bij een meting op een bepaalde plaats in een atoom aan te treffen.

Maar fysica is toch geen kansspel! Dat is volgens sommigen het einde van de fysica als wetenschap. “God dobbelt niet”, zegt Albert Einstein (1879 – 1955) kwaad. Er ontstaat een schisma binnen de fysica: een onoverbrugbaar meningsverschil tussen de ‘oude garde’ onder leiding van A. Einstein en de nieuwe lichting onder leiding van Niels Bohr (1885 – 1962). Onder leiding van N. Bohr wordt de Kopenhagen-interpretatie van de kwantummechanica uitgewerkt en haast als een dogma door W. Heisenberg verdedigd op de Solvayraad van 1927.

Het schisma tussen de oude en de nieuwe garde is voor vele fysici eerder een filosofisch probleem. Een probleem van interpretatie. Voor de fysica zelf zou het niets uitmaken. Beide benaderingen leiden tot dezelfde resultaten. Maar de discussies in verband met die interpretatie leiden onrechtstreeks tot ophefmakende resultaten.

Beeld eerste Solvay conferentie

Merkwaardige maar betwistbare ideeën en hypothesen

Die merkwaardige ideeën en hypothesen, die in het eerste kwartaal van de 20ste eeuw verkondigd werden, de experimentele resultaten, die men niet kon verklaren: we zetten ze even op een rijtje.

Papír pro časovou osu

1900

Met zijn onderzoek naar de uitstraling van energie door het zwart lichaam ontdekt de Duitse wetenschapper Max Planck rond 1900 een wet, die niet in overeenstemming is met de in die tijd gangbare fysica. Hij voert ook een nieuwe natuurconstante h in, die een uiterst kleine waarde heeft. Vanaf dat moment begint het bij sommigen te dagen dat er een nieuwe fysica nodig is.

1905

Met een artikel in 1905 komt de Duitse fysicus Albert Einstein met een hypothese, die het foto-elektrisch effect verklaart: licht heeft een deeltjeskarakter. Op de eerste Solvayraad in 1911 komt deze hypothese ter sprake. Maar ze is te gewaagd en men neemt ze niet ernstig.

1913

 1913 stelt de Deense fysicus  Niels Bohr dat het atoommodel van Ernest Rutherford enkel stabiel kan zijn als de energie van het elektron in een atoom “gekwantiseerd“ is: deze energie kan slechts bepaalde waarden hebben. Hij stelt ook dat de grootte van het impulsmoment van een elektron in een atoom een geheel veelvoud van \(\frac{h}{2\pi}\) moet zijn. Dit nieuwe atoommodel verklaart ook het lijnenspectrum van waterstof.

1923

In 1923 formuleert de Franse natuurkundige Louis de Broglie een gewaagde hypothese, die aan het elektron een golfkarakter toe-kent. Voor de L. de Broglie moet de golflengte λ van die elektronengolf gelijk zijn aan \(\frac{h}{mv}\) waarbij v de snelheid en m de massa van het elektron is.

1925

Rond 1925 zijn we flink op weg naar een overkoepelende theorie. In de Erwin Schrödingerzaal zijn we de vergelijking van Erwin Schrödinger en de golffunctie Ψ psi al tegengekomen. Maar er staat al een andere theorie in de steigers, die de fysica nog grondiger zal veranderen. Aanhangers van beide theorieën twisten over de betekenis van de geheimzinnige psi en dit zorgt voor een schisma in de fysica.

Gedenksteen voor W. Heisenberg op Helgoland

Een nieuwe aanpak

Wat is de baan van een elektron in een atoom? Niels Bohr (1885 – 1963) en Arnold Sommerfeld (1868 – 1951) draaiden al meer dan 10 jaar rond de hete brij. Drie kwantumgetallen waren nodig om de grootte, de vorm en de oriëntatie van een elektronenbaan in een atoom te beschrijven. Het werkte wel redelijk goed om de lijnen in de spectra te berekenen. Maar de vraag waar deze kwantumgetallen dan vandaan kwamen, bleef branden.

Een elektron heeft geen baan

Schrödinger heeft een antwoord?

Waar blijft de theorie die de kwantumgetallen zelf kan verklaren? Erwin Schrödinger (1887 – 1961) had begin 1926 een antwoord op deze vraag gevonden. Zijn uitgangspunt was dat deeltjes zoals elektronen zich als golven gedragen. Een elektronengolf moet men kunnen beschrijven zoals alle andere golven. Met een golfvergelijking. Hij vindt die golfvergelijking in de kerstvakantie van 1925. Maar het is wel een speciale vergelijking waarin het imaginaire getal i : \(\sqrt{-1}\) voorkomt. Een oplossing van deze vergelijking is de golffunctie Ψ. Met behulp hiervan vindt hij de drie kwantumgetallen van een elektron in een atoom terug. Vraag beantwoord! Of toch niet?

Heisenberg gaat niet akkoord

In Duitsland is de piepjonge Werner Heisenberg (1901 – 1976) in 1925 onderzoeker bij Max Born (1882 – 1970) aan de universiteit van Göttingen. Ook hij is geobsedeerd door de vraag naar de elektronenbaan. Maar hij pakt het heel anders aan dan E. Schrödinger. Zijn uitgangspunt is helemaal anders. In het kort is zijn redenering als volgt:

We moeten ons geen vragen stellen over hoe elektronenbanen in een atoom eruit zien. Die kunnen we toch niet waarnemen. We moeten een theorie opbouwen die uitsluitend gesteund is op dingen die we experimenteel kunnen bepalen. Zoals bijvoorbeeld de intensiteit en de frequenties van spectraallijnen. Of impuls (mv) en plaats van een deeltje. Zo’n theorie heb ik nodig om vragen over het elektron te kunnen beantwoorden

Heisenberg vindt een oplossing…

W. Heisenberg stort zich volledig op het probleem. Het is voor hem een obsessie geworden. Hij gaat in 1925 te rade bij N. Bohr in Kopenhagen. Een zenuwinzinking nabij door de discussies met N. Bohr en geplaagd door een hevige aanval van hooikoorts, gaat hij in de zomer van 1925 enkele dagen rust nemen op het pollenvrije Duitse eiland Helgoland.

Van rust komt er niet veel in huis. Maar hij vindt een oplossing! Alleen de wiskunde is nog niet in orde. Waar E. Schrödinger differentiaalvergelijkingen nodig had, moet W. Heisenberg een ander wiskundig hulpmiddel gebruiken waar hij op dat moment nog nooit van gehoord had.

…maar heeft wiskunde nodig die hij (nog) niet kent…

Dat zit zo. In juli 1925 was hij in Helgoland tot het revolutionaire inzicht gekomen dat zijn probleem opgelost is als hij aanneemt dat impuls en plaats van een elektron niet omwisselbare (niet-commuteerbare) grootheden zijn.

Wiskundig betekent niet-commuteerbaar dat de uitkomst van een bewerking zoals aftrekken, delen of vermenigvuldigen afhangt van de volgorde waarmee de bewerking gebeurt.

Zo is de aftrekking in de gewone rekenkunde niet-commuteerbaar: 

2 – 3 ≠ 3 -2

De vermenigvuldiging is dat wel:

2 x 3 = 3 x 2.

De grootheden waarmee W. Heisenberg te maken heeft, waren echter niet-commuteerbaar bij vermenigvuldiging. Als we de grootheid i.v.m. impuls door P voorstellen en die voor de positie door Q, betekent dit dat PxQ ≠ QxP

P en Q zijn dus grootheden waarop de regels voor de vermenigvuldiging heel anders zijn dan die van de vertrouwde rekenkunde. Heel anders dan in het dagelijks leven waar 3 x 2 gelijk is aan 2 x 3

…een matrix!

Voor impuls en positie betekent die niet-commuteerbaarheid bijvoorbeeld dat eerst de impuls bepalen en dan de positie een ander resultaat oplevert dan andersom. Dat is een typische kwantumeigenschap die verregaande consequenties zal hebben. Maar W. Heisenberg weet niet hoe hij die niet-commuteerbaarheid wiskundig moet aanpakken. Hoe zien die niet-commuteerbare grootheden er dan wel uit?

Hij keert met zijn vondst (en vraag) haastig terug naar Göttingen. Hij vraagt raad aan zijn prof M. Born. Voor M. Born en zijn assistent Pascual Jordan (1902 – 1980) is het quasi onmiddellijk duidelijk dat het wiskundig hulpmiddel dat W. Heisenberg zoekt (een bepaald type) matrix is.

Een matrix?

Een matrix is een tabel van getallen waarmee men volgens bepaalde regels rekenkundige bewerkingen kan uitvoeren. Die regels zijn voor de vermenigvuldiging zodanig geformuleerd dat voor sommige matrices het product niet-commuteerbaar is. Net wat W. Heisenberg nodig heeft om zijn theorie wiskundig vorm te geven.

Voorbeeld

Gesteld dat:

A=[0100],B=[0010]A= \begin{bmatrix} 0 & 1\\ 0 & 0 \end{bmatrix}, \qquad B= \begin{bmatrix} 0 & 0\\ 1 & 0 \end{bmatrix}

We berekenen nu A x B:

[0100][0010]=[1000]\definecolor{myred}{HTML}{DC3A26} \definecolor{mygreen}{HTML}{5AAA5C} \textcolor{mygreen}{ \begin{bmatrix} 0 & 1\\ 0 & 0 \end{bmatrix} \begin{bmatrix} 0 & 0\\ 1 & 0 \end{bmatrix} = \begin{bmatrix} 1 & 0\\ 0 & 0 \end{bmatrix} }

Daarna B x A:

[0010][0100]=[0001]\definecolor{myred}{HTML}{DC3A26} \definecolor{mygreen}{HTML}{5AAA5C} \textcolor{myred} { \begin{bmatrix} 0 & 0\\ 1 & 0 \end{bmatrix} \begin{bmatrix} 0 & 1\\ 0 & 0 \end{bmatrix} = \begin{bmatrix} 0 & 0\\ 0 & 1 \end{bmatrix} }

We stellen vast:

[1000]≠[0001]\definecolor{myred}{HTML}{DC3A26} \definecolor{mygreen}{HTML}{5AAA5C} \textcolor{mygreen}{ \begin{bmatrix} 1 & 0\\ 0 & 0 \end{bmatrix}} \neq \textcolor{myred}{ \begin{bmatrix} 0 & 0\\ 0 & 1 \end{bmatrix}}

Het hart van de kwantummechanica!

In 1925 publiceren W. Heisenberg, M. Born en P. Jordan het definitieve artikel over de nieuwe kwantumfysica en introduceren ze de term matrixmechanica. Die al snel zal vervangen worden door kwantummechanica.

In de kwantummechanica kan elke meetbare variabele met een matrix verbonden worden. M. Born en P. Jordan vinden al in 1926 een wiskundige formulering van de niet-commuteerbaarheid van positie en impuls (mv):

QP−PQ=ih2π\definecolor{myred}{HTML}{DC3A26} \definecolor{mygreen}{HTML}{5AAA5C} \textcolor{myred}{Q}\textcolor{mygreen}{P} – \textcolor{mygreen}{P}\textcolor{myred}{Q} = i\frac{h}{2\pi}

Hierin zijn Q en P de matrices, die verbonden zijn met positie(Q) en impuls (P). Merk op dat hier terug het imaginaire getal i opduikt.

Deze vergelijking is het hart van de kwantummechanica.
Werner Heisenberg krijgt de Nobelprijs voor fysica in 1932 “for the creation of quantum mechanics”. Hij is dan 31 jaar!

Onzekerheid

Onzekerheidsprincipe

De niet-commuteerbaarheid van Q en P is een wiskundige eigenschap van matrices die in de reële wereld betekent dat de positie q en de impuls p van een deeltje niet tegelijkertijd exact kunnen gemeten worden. Want dan zou de volgorde van de meting geen enkel verschil maken.Hoe nauwkeuriger de ene grootheid gemeten wordt, hoe onnauwkeuriger de andere kan bekend zijn.

In 1927 drukt W. Heisenberg dat uit met het intussen ook bij niet-fysici algemeen bekende onzekerheidsprincipe.

Δx⋅Δp≥h4π\Delta x \cdot \Delta p \geq \frac{h}{4\pi}

∆x∶ onzekerheid op de positie van een deeltje
∆p∶ onzekerheid op de impuls van dat deeltje

Het onzekerheidsprincipe stelt dat hoe nauwkeuriger de positie van een deeltje bekend is (∆ x klein), hoe onnauwkeuriger de impuls (∆p groot) kan bekend zijn.

Merk op dat ∆x∆p zeer klein is door de uiterst kleine waarde van h.

De constante van M. Planck is: h = 6,626.070.15×10-34 J·s (= kg·m2·s-1). Enkel op schaal van de kwantumwereld speelt het onzekerheidsprincipe een rol.

Maar wat betekent dat eigenlijk?

Heel wat fysici, een tijdlang ook W. Heisenberg zelf, dachten dat die onzekerheid het gevolg van de meting was. Een meting van de impuls van een elektron zou de plaats ervan een klein beetje verstoren en omgekeerd verstoort de meting van de positie van het elektron het impuls. Dat geldt ook voor grote voorwerpen, maar daar is het effect zo klein dat het verwaarloosbaar is. Maar dat is niet het geval voor uiterst kleine kwantumdeeltjes. W. Heisenberg bedacht in 1927 zelfs een experiment waarmee hij aantoonde dat de kleinst mogelijke verstoringen leiden tot het onzekerheidsrelatie!

Niels Bohr was hier heel kwaad over. W. Heisenberg had zijn eigen theorie niet goed begrepen.

Heel de discussie over de elektronenbanen is dus zinloos geweest. En het elektron is dus ‘geen klein bolletje dat rond de kern draait’. Helemaal niet zoals een planeet rond de zon draait.

Heel eigenaardig maar in de kwantumwereld is het nu eenmaal zo.

Voorbeeld: een elektron in een atoom

Onzekerheidsprincipe

Stel dat een elektron zich in een waterstofatoom bevindt. De onzekerheid in de positie Δx is ongeveer gelijk aan de straal van het atoom, wat typisch Δx ≈ 0.1nm = 1 x 10-10 nm is.

STAP 1: Bereken de minimale onzekerheid in impuls

We herschrijven de onzekerheidsrelatie:

Δp≥ℏ2⋅Δx\Delta p \geq \frac{\hbar}{2 \cdot \Delta x}

Invullen van de waarden:

Δp≥1.054×10−342⋅1×10−10=1.054×10−342×10−10=5.27×10−25kgm/s\Delta p \geq \frac{1.054 \times 10^{-34}} {2 \cdot 1 \times 10^{-10}} = \frac{1.054 \times 10^{-34}} {2 \times 10^{-10}} = 5.27 \times 10^{-25}\,\mathrm{kg\,m/s}

STAP 2 : Bereken de snelheidsonzekerheid Δv:

De impulis van het elektron wordt gegeven door p=m.v, waarbij m de massa van het elektron is (me = 9.11 x 10-31 kg). De onzekerheid in snelheid is:

Δv=Δpm\Delta v = \frac{\Delta p}{m}

Invullen van de waarden:

Δv=5.27×10−259.11×10−31=5.78×105m/s\Delta v = \frac{5.27 \times 10^{-25}} {9.11 \times 10^{-31}} = 5.78 \times 10^{5}\,\mathrm{m/s}

Interpretatie van het resultaat

• De onzekerheid in positie is 1 × 10⁻¹⁰ m, wat de typische grootte van een atoom is.
• De onzekerheid in snelheid is Δv ≈ 5,78 × 10⁵ m/s, wat een aanzienlijk grote waarde is.
Dit betekent dat het onmogelijk is om zowel de positie als de snelheid van het elektron exact te kennen.

Dit voorbeeld toont hoe fundamenteel de onzekerheid is in kwantummechanica, vooral op de schaal van atomen.

Matrices werken in de kwantummechanica als operatoren die eigenschappen berekenen of een kwantumtoestand wiskundig veranderen in een andere toestand

Duiding: Matrices als operatoren

Het onzekerheidsprincipe stelt dat de plaats en impuls van een kwantumdeeltje nooit tegelijk onbeperkt nauwkeurig bepaald kunnen worden.

Duiding: Het onzekerheidsprincipe

Heisenberg en Bohr verschilden eerst van mening over de oorsprong van het onzekerheidsprincipe, maar kwamen later samen tot de Kopenhaagse interpretatie.

Excursie: Niels Bohr en Werner Heisenberg zijn het oneens

Eerste pagina Zeitschrift für Physik

De golfmechanica wordt kwantummechanica

In 1926 publiceert Erwin Schrödinger (1887 – 1961) vier artikels in het Zeitschrift für Physik over de ontdekking van de golfvergelijking waarin de beruchte Ψ (psi) voor het eerst opduikt. Zijn theorie wordt op gejuich onthaald. Ze is voor de fysici veel gemakkelijker te begrijpen dan de matrixmechanica van Werner Heisenberg (1901 – 1986).

Maar zoals we eerder al opmerkten is de betekenis van psi niet duidelijk. Louis de Broglie (1892 – 1987) en E. Schrödinger dachten dat het elektron een soort golf was en psi de bijhorende golffunctie, die de toestand van het elektron beschrijft. Bijvoorbeeld hoe het elektron over het atoom ‘uitgesmeerd’ is. Maar dat wordt tegengesproken door het experiment: bij botsingen gedraagt het elektron zich helemaal niet als ‘iets’ dat uitgesmeerd is, maar als een puntdeeltje, iets dat in een klein volume gelokaliseerd is.

Max Born en psi

De ploeg rond Max Born (1882 – 1970) aan de universiteit van Göttingen was door het werk van Werner Heisenberg ervan overtuigd geraakt dat het zinloos is over de baan van een elektron in een atoom te spreken. Het onzekerheidsprincipe doet daar nog een schep bovenop: het elektron is in de woorden van M. Born, ‘totaal niet zoals een korrel zand’ met op elk moment een bepaalde plaats of een bepaalde snelheid. Zoals zo vaak in de wetenschap krijgen grote wetenschappers zoals M. Born schitterende invallen:

“We hebben altijd gedacht dat een object vaste eigenschappen heeft. Of we die nu waarnemen of niet. Maar zou het niet zo zijn dat uit het onzekerheidsprincipe volgt dat een elektron de eigenschappen krijgt als we die waarnemen door een experiment te doen?!

Een elektron of een ander kwantumdeeltje heeft geen vaste plaats tot we die meten. Wat we als wetenschappers kunnen, is enkel de waarschijnlijkheid (kans) kennen om het op een bepaalde plaats aan te treffen. De meting creëert de eigenschap!”

Deze waarschijnlijkheid berekenen we met Ψ. We moeten dan eerst wel van dat imaginaire getal i af geraken. Dat doen we door Ψ met zijn complex toegevoegde Ψ* te vermenig-vuldigen.

Als we dat verstandig aanpakken dan is ΨΨ* op elke plaats een positief en reëel getal tussen 0 en 1. Precies waaraan een kans moet voldoen.

Opgepast! De kans heeft hier niets te maken met de kans zoals voor dobbelstenen waar de kans iets zegt over onze onwetendheid van hetgeen gebeurde tijdens de worp. Naarmate we hier meer over zouden weten, stijgt de kans dat we het werkelijk gerealiseerde resultaat correct voorspellen. Als we alles zouden weten is de kans hiervoor 1 en voor alle andere mogelijke uitkomsten 0.

Bij kans in de kwantummechanica ligt dit totaal anders. Die kans heeft niets met onwetendheid te maken. Ze zit is de kwantumwereld ingebakken. Ze is er een kenmerk van.

Een elektron heeft alleen geen baan, vooraleer we ze meten heeft het ook geen plaats! Onze kennis over de wereld is fundamenteel onzeker!

Max Born ontvangt de Nobelprijs voor fysica pas in 1954. Zijn werk was baanbrekend in 1926, maar de erkenning ervan als een hoeksteen van de kwantummechanica had tijd nodig.

Een nieuwe fysica

“God dobbelt niet”

Dat was toch straffe kost. De ontdekking van onzekerheid haalt een eeuwenoud geloof in de wetenschap onderuit. Vroeger dacht men dat als we maar genoeg weten de onzekerheid verdwijnt. “Als we alles zouden weten, is er helemaal geen onzekerheid meer. Noch over het verleden, het heden of de toekomst”, schreef Pierre-Simon Laplace (1749 – 1821) nog rond 1800. Dat blijkt nu helemaal fout in de kwantumwereld.

Vele fysici, waaronder een aantal stichters van de kwantumfysica zoals Albert Einstein (1879 – 1955), Max Planck (1858 – 1947), Maurice de Broglie (1892 -1987), Erwin Schrödinger, hadden het hier moeilijk mee. Zelfs héél erg moeilijk zoals Paul Ehrenfest (1880 – 1933).

“God dobbelt niet” zou A. Einstein gezegd hebben. Allen hoopten ze op een betere theorie, die deze onzekerheid zou wegnemen.

In de kwantumwereld krijgen deeltjes hun eigenschappen door ze waar te nemen. Geen waarneming, geen eigenschappen. Wat is dat nu weer! A. Einstein kon dat onmogelijk aanvaarden. Bestaat de maan dan niet als we niet kijken, vroeg hij kwaad aan N. Bohr. Maar hij kon zelf geen betere verklaring bedenken. De analyses van N. Bohr, de statistische interpretatie van M. Born en de onzekerheidsrelatie van W. Heisenberg zullen het hart vormen van wat later de Kopenhagen- interpretatie van de kwantummechanica zal genoemd worden. Het was de eerste onafhankelijke, autonome, logische en consistente formulering van de kwantumfysica. Deze zullen M. Born en W. Heisenberg ook met hart en ziel verdedigen op de Solvayraad van 1927 in Brussel. Maar deze formulering zal op die raad zelf en veel jaren daarna heel wat hevige discussies ontketenen.

Paul Dirac, Werner Heisenberg en Erwin Schrödinger

Een schisma in de fysica

Kort na het artikel van Werner Heisenberg (1901 – 1976), Max Born (1882 – 1970) en Pascual Jordan (1902 – 1980) verschijnen daar plots, in 1926, de vier artikels van Erwin Schrödinger (1887 – 1961), die op een heel andere manier dezelfde problemen oplossen. Plots waren er twee theorieën elk met een heel ander uitgangspunt maar met dezelfde resultaten: de matrixmechanica (Heisenberg) en de golfmechanica (Schrödinger).

“Ik heb er spijt van dat ik er ooit mee ben begonnen”

“Het is onzin”

De wiskundige basis voor de golfmechanica waren (partiële) differentiaalvergelijkingen, die voor natuurkundigen vertrouwder waren dan de matrices van de matrixalgebra.

Hoewel de meeste natuurkundigen de golfmechanica van E. Schrödinger prezen, was W. Heisenberg niet een van hen. In een brief aan een collega schreef hij:

Hoe meer ik nadenk over het fysische deel van de Schrödinger-theorie, hoe weerzinwekkender ik ze vind. Wat Schrödinger schrijft over de visualiseerbaarheid van zijn theorie ‘klopt waarschijnlijk niet helemaal’, met andere woorden, het is onzin

Met ‘visualiseerbaarheid’ bedoelde W. Heisenberg waarschijnlijk dat de voorstelling van Ψ als een echte golf kant noch wal raakte.

E. Schrödinger schreef vervolgens een artikel waarin hij aantoonde dat matrixmechanica en golfmechanica dezelfde resultaten geven en dus equivalent zijn.

Later maakte W. Heisenberg in een van zijn artikelen zelf gebruik van de golfmechanica vanwege het grotere gemak waarmee problemen kunnen worden geanalyseerd. Zo slecht was de benadering van E. Schrödinger dus ook weer niet.

“We zijn je enorm dankbaar”

Niels Bohr (1885 – 1962) nodigde E. Schrödinger uit in oktober 1926 naar Kopenhagen te komen om lezingen te geven en te discussiëren. Hij maakte E. Schrödinger tot zijn huisgast en de discussies gingen van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat door. Deze discussies waren een niet-aflatende inspanning van N. Bohr om E. Schrödinger ervan te over-tuigen dat zijn interpretatie van atomaire verschijnselen de juiste was. Die positie hield in dat ze ontkende dat banen, trajecten enzovoort enige betekenis hadden op kwantumniveau. In plaats daarvan maakten deeltjes onmiddellijke sprongen tussen discrete kwantumtoestanden. Deze stonden bekend als kwantumsprongen.

Over deze kwestie zei E. Schrödinger:

Als we door moeten gaan met deze verdomde kwantumsprongen, dan heb ik spijt dat ik er ooit bij betrokken ben geraakt

N. Bohr antwoordde:

Maar de rest van ons is je enorm dankbaar dat je dat hebt gedaan. Jouw golf-mechanica heeft zoveel bijgedragen aan de wiskundige helderheid en eenvoud dat het een enorme vooruitgang vertegenwoordigt ten opzichte van alle voorgaande vormen van kwantummechanica

N. Bohr overtuigde E. Schrödinger niet. Enkele dagen na dit intense debat werd E. Schrödinger ziek. Terwijl Margaretha, de vrouw van N. Bohr, probeerde E. Schrödinger weer gezond te maken, zat N. Bohr, onvermoeibare debater als hij was, op de rand van het bed het debat verder te zetten. Maar hij zal E. Schrödinger nooit kunnen overtuigen.

Verschillen en gelijkenissen tussen golfmechanica en kwantummechanica in een notendop

De term matrixmechanica werd al vlug in de meeste leerboeken vervangen door kwantummechanica. Wellicht om duidelijk te maken dat over kwanta gaat.

GolfmechanicaKwantummechanica
werkt met kwantumgolvenwerkt met kwantumdeeltjes
beschrijft toestand van een deelte met een golffunctiebeschrijft toestand van een deeltje met matrices
vooral handig voor de beschrijvingen van continue overgangen zoals bij botsingenvooral handig voor de beschrijving van discrete overgangen zoals in de spectroscopie bestudeerd worden

Golfmechanica en kwantummechanica zijn fysisch equivalent. Voor eenzelfde fysisch probleem leveren ze dezelfde resultaten op. De wiskundige equivalentie is lange tijd een voorwerp van controverse geweest. Tegenwoordig is men het algemeen over eens dat ze ook wiskundig equivalent zijn: beide theorieën zijn wiskundig tot elkaar te herleiden.

Paul André Dirac (1902 – 1984) zal de golfmechanica van E. Schrödinger en de matrixmechanica van W. Heisenberg, M. Born en P. Jordan samenbrengen tot één enkele samenhangende theorie en ze in 1928 integreren met de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein (1879 – 1955). Hij werd daarom één van de grondleggers van de fysica van de elementaire deeltjes. Hij krijgt de Nobelprijs voor fysica in 1933.

Paul Dirac groeide uit tot een van de grootste theoretische fysici van de 20e eeuw: hij hielp de kwantummechanica haar wiskundige vorm te geven en voorspelde zelfs het bestaan van antimaterie nog vóór die experimenteel werd ontdekt. Tegelijk was hij een uitzonderlijk zonderlinge en zwijgzame persoonlijkheid, waardoor zijn leven minstens zo fascinerend is als zijn baanbrekende wetenschap.

Excursie: Het leven van Paul Dirac (1902-1984)

Een band tussen twee erg verschillende werelden

De kwantumwereld en de gewone wereld lijken wel twee totaal verschillende werelden. In de kwantumwereld gelden blijkbaar andere wetten. Er gebeuren dingen die in gewone wereld totaal niet voorkomen en die op het eerste gezicht zelfs totaal onbegrijpelijk lijken. Toch moet tussen beide werelden een zekere continuïteit zijn: een geleidelijke overgang, als we van de ene wereld naar de andere overstappen. Het zou toch raar zijn als de kwantumwereld op een bepaalde schaal, bijvoorbeeld pas vanaf bijvoorbeeld 10-9 m zou beginnen. Bovendien, om iets over die kwantumwereld te kunnen vertellen, moeten we in de gewone wereld gaan staan. Onze metingen kunnen we niet doen met kwantuminstrumenten.

Al helemaal van in het begin van zijn onderzoek in de kwantumfysica in 1913 dacht Niels Bohr (1885 – 1962) daar over na . Gaandeweg kwam hij tot twee belangrijke principes die de band tussen kwantumwereld en gewone wereld moeten garanderen: het correspondentieprincipe en het complementariteitsprincipe.

Het correspondentieprincipe

Het correspondentieprincipe van N. Bohr, dat hij in 1923 in zijn definitieve vorm gaf, formuleert Max Born (1882 – 1970) in 1933 op een eenvoudigere wijze als volgt:

“De wetten van de klassieke fysica kloppen op briljante wijze in alle bewegings-processen. Daarom moet de kwantummechanica voor dezelfde problemen tot dezelfde oplossingen komen als de klassieke mechanica.

Dit betekent dat voor grote massa’s en voor deeltjesbanen van grote afmetingen (zoals in de klassieke mechanica) de kwantummechanica overgaat in de klassieke mechanica.”

Het correspondentieprincipe vereist dus dat de kwantummechanica in staat moet zijn om de empirische successen van de klassieke mechanica te verklaren. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat de kwantummechanica de voorspellingen van de klassieke mechanica in de limiet van grote massa’s en banen van grote afmetingen moet kunnen verklaren. Deze laatste limiet wordt meestal uitgedrukt als n→∞ (het kwantumgetal n nadert wiskundig oneindig grote waarden).

Voor N. Bohr was de eis dat de kwantumtheorie overgaat in de klassieke theorie voor deeltjesbanen van grote afmetingen en grote massa’s geen bijkomstigheid. Het is een noodzakelijke vereiste voor de theorie. Verschillende van zijn collega’s waren het hier niet mee eens.

Arnold Sommerfeld (1868 – 1951) schrijft hierover in 1924: “Hoewel het correspondentie-principe in bepaalde gevallen nuttig is, kan ik het toch niet beschouwen als bevredigend omdat klassieke en kwantumtheoretische aspecten gemengd worden.”

Werner Heisenberg (1901 – 1976), leerling van A. Sommerfeld, schrijft dat de kwantum-mechanica op zichzelf staat en op geen enkele manier afhangt van de klassieke mechanica. Wolfgang Pauli (1900 – 1958), ook een leerling van A. Sommerfeld, deelt die mening. Voor hen was het correspondentieprincipe niet meer dan een (soms) nuttig regeltje.

De klassieke en de kwantumoscillator

Klassieke oscillator

Een helder voorbeeld van de evolutie van het gedrag van een kwantumobject naar een klassiek gedrag is  de overgang van een klassieke naar een kwantum harmonische oscillator.

Een klassieke één-dimensionele harmonische oscillator is bijvoorbeeld een gewicht dat verbonden is aan een veer. Voor een kwantum harmonische oscillator denken we bijvoorbeeld aan waterstofatoom dat trilt in een water-stofjodide molecule.

De kinetische energie van een klassieke oscillator is nul aan de keerpunten (+ A en -A) en maximaal in het midden van zijn parcours. Het object blijft het langst in de omgeving van de keerpunten (+ A en -A).

Voor de klassieke oscillator kan de totale energie E alle waarden aannemen.

Etot=Epot+Ekin=12kx2+12mv2E_{\text{tot}} = E_{\text{pot}} + E_{\text{kin}} = \frac{1}{2} k x^2 + \frac{1}{2} m v^2

k = veerconstante
x = uitwijking tgo. rusttoestand
m = massa oscillator
v = snelheid

Voor de klassieke oscillator is de waarschijnlijkheid om het gewicht aan te treffen het grootst aan het einde van de beweging omdat hij daar langzamer beweegt en zelfs tot stilstand komt aan de uitersten van de beweging. Ze is het kleinst in het evenwichtspunt omdat de snelheid daar het grootst is.

De relatieve kans om het gewicht in een interval ∆x te vinden is dus omgekeerd evenredig met de gemiddelde snelheid vx over dat interval.

Px=2T1vxP_x = \frac{2}{T} \frac{1}{v_x}

T is de periode van de trilling

Die kans is het kleinst in het evenwichtspunt.

Kwantummechanische oscillator

Voor de kwantummechanische oscillator is het heel anders.

De kans om het oscillerende waterstofatoom van waterstofjodide in een interval ∆x te vinden is het kwadraat van de golffunctie Ψ.

Voor de kwantumtoestand met laagste energie (n = 0) bereikt die golffunctie een maximum in het evenwichtspunt en een minimum aan de uitersten.

Net het omgekeerde dan voor de klassieke oscillator!

Voor de eerste kwantumenergieniveaus kan men maar weinig gelijkenis zien tussen de kwantum- en klassieke waarschijnlijkheden als functie van x. Wanneer je de waarde n=10 bereikt, begint er enige overeenkomst te zijn.

Ze zien er niet hetzelfde uit, maar de kans is nu ook grootst aan het einde van de beweging. Naarmate je verder gaat met zeer hoge n-waarden, gaan klassieke en kwantumoscillator steeds meer op elkaar lijken. De oscillaties van de kwantumwaarschijnlijkheid komen zo dicht bij elkaar te liggen dat ze praktisch samen worden uitgesmeerd.

De waarschijnlijkheid om een kwantum- en klassieke oscillator te vinden op een bepaalde plaats worden meer en meer aan elkaar gelijk naarmate de waarde van n groter wordt. Dat is zoals verwacht wordt door het correspondentieprincipe.

Complementariteitsprincipe

Ontstaan en betekenis

Het complementariteitsprincipe werd door N. Bohr bedacht tijdens zijn skivakantie in het jaar 1927 en voorgesteld op een internationale conferentie in Como in dat zelfde jaar. Hij herhaalde zijn betoog op de belangrijke Solvayraad van oktober 1927 in Brussel. Ook het complementariteitsprincipe is voor N. Bohr een essentiële regel van de kwantummechanica.

Kort geformuleerd stelt het principe dat een kwantumobject (een foton of een elektron bijvoorbeeld) een golf en een deeltjeskarakter kan vertonen, maar nooit beide tegelijkertijd. Dat is wat men bedoelt met het duaal of dualistisch karakter van de materie op kwantumschaal.

Golf en deeltje

Golf en deeltje zijn elkaar uitsluitende en complementaire aspecten van elk kwantumobject. Dat betekent dat men verschillende experimentele opstellingen nodig heeft om het golf OF het corpusculair van het kwantumobject te zien. Een van de bekende voorbeelden van dit aspect vindt men in het twee spleten experiment (zie verder in “Waarneming in kwantum-mechanica” in de Albert Einsteinzaal). Als de twee spleten openstaan verschijnt er een interferentie-patroon (golfaspect van het nano-object). Wanneer echter een spleet gesloten wordt, gedraagt het object zich als een deeltje.

Hoever ook kwantumfenomenen de wetten van de klassieke natuurkunde overstijgen, N. Bohr vond dat ze toch met begrippen uit de klassieke fysica moeten worden beschreven. Met andere woorden een theorie moet kunnen beschreven worden in waarneembare groot-heden. Een eenvoudig argument hiervoor is dat men moet kunnen spreken of communiceren over wat men gedaan of erover geleerd heeft. Daarom moeten de beschrijving van experimentele apparaten en de resultaten van observaties worden uitgedrukt in een ondubbelzinnige taal en binnen de terminologie van de klassieke natuurkunde.

N. Bohr probeert de principes te benoemen die de grondslag vormen van de kwantumwereld, namelijk de dualiteit van de materie en het onzekerheidsprincipe van W. Heisenberg, en ze duidelijker in ‘vertrouwde’ taal uit te leggen.

Rol van meting en waarneming

In kwantumverschijnselen kunnen het corpusculaire en golfgedrag naast elkaar bestaan: een elektron kan ofwel een deeltjes- als een golfgedrag vertonen, afhankelijk van het experiment. Het experiment bepaalt welk gedrag zich gaat tonen. In de klassieke fysica is een golf een golf, en een deeltje een deeltje in alle denkbare experimenten. Er is een (onoverbrugbare) tweedeling.

Het complementariteitsprincipe sluit ook aan bij de onzekerheidsrelatie dat stelt dat voor een zelfde realiteit er paren complementaire grootheden bestaan zoals bijvoorbeeld de positie en de snelheid. Een ander voorbeeld van complementaire grootheden zijn energie en tijd. Deze kunnen dus niet tegelijkertijd gemeten of waargenomen worden.

Volgens dit principe is het ook niet mogelijk de dynamische (d. i. veranderlijke) eigenschap-pen van kwantumobjecten te ontkoppelen van de meetinstrumenten. Die eigenschappen komen door meting of waarneming tot stand.

Kopenhagen-interpretatie

N. Bohr beschouwde het correspondentie- en het complementariteitsprincipe als essentieel. Ze vormen een centraal aspect voor de Kopenhagen-interpretatie van de kwantum-mechanica.

Buiten de kwantumfysica

Later breidde N. Bohr het principe uit naar verschillende gebieden van de wetenschappen en de filosofie en maakte hij er zelfs een universeel principe van.

Het complementariteitsprincipe kan inderdaad ook buiten de kwantummechanica worden toegepast.

N. Bohr zelf paste de complementariteit toe op bredere filosofische en culturele vraagstukken. Hij geloofde dat verschillende denksystemen (zoals wetenschap en religie) elkaar niet per se uitsluiten, maar eerder verschillende perspectieven bieden op dezelfde realiteit.

Een ander voorbeeld is de complementariteit in de studie van menselijk gedrag. Mensen kunnen bijvoorbeeld zowel rationeel als emotioneel handelen, en beide perspectieven zijn nodig om gedrag volledig te begrijpen. In de psychologie wordt complementariteit ook gezien in de dualiteit tussen nature (aangeboren eigenschappen) en nurture (aangeleerde eigenschappen).

Ontdek hoe de kwantumoscillator zich fundamenteel anders gedraagt dan een klassieke oscillator, met kansen op plaatsen waar hij volgens de klassieke fysica helemaal niet kan zijn. Aan de hand van de Schrödingervergelijking zie je hoe zijn golffuncties en discrete energieniveaus ontstaan – en waarom zelfs de laagste energietoestand nooit volledig tot stilstand komt.

Duiding: Energieniveaus en golffuncties voor de kwantumoscillator

Beide partijen kruisen de degens

De vijfde bijeenkomst van de Solvayraad, gehouden in 1927, ging over elektronen en fotonen. Hij concentreerde zich op de recente snelle vooruitgang in de kwantumtheorie. De hoofd-rolspelers waren er allemaal: Max Planck (1858 – 1947), Niels Bohr (1885 – 1962), Albert Einstein (1879 – 1955), Werner Heisenberg (1901 – 1976), Louis de Broglie (1892 –1987), Erwin Schrödinger (1887 – 1961), Max Born (1882 – 1970), Wolfgang Pauli (1900 – 1958) en Paul Dirac (1902 – 1984).

Deze raad zal voor de (actuele) interpretatie van de kwantumfysica een zeer grote impact hebben. Hij maakte ook de breuk binnen de fysica, het schisma, voor velen duidelijk.

Analyse van een strijd

Kopenhagen- interpretatie

W. Heisenberg en N. Bohr bundelden hun krachten om een verenigd front te vormen dat bedoeld was om hun interpretatie te verdedigen. Die zou later bekend worden als de Kopenhagen- interpretatie van de kwantumfysica.

De basisprincipes van die interpretatie zijn onder meer de golffunctie van E. Schrödinger, de waarschijnlijkheidsinterpretatie van M. Born, het onzekerheidsprincipe van W. Heisenberg, het complementariteitsprincipe van N. Bohr en wat er precies gebeurt met de golffunctie tijdens de meting. De belangrijkste conclusie waarvan W. Heisenberg en N. Bohr de verzamelde aanwezigen probeerden te overtuigen was dat hun theorie van kwantum-processen compleet was. Dat betekent dat onbekende of onzekere kenmerken van metingen niet kunnen worden toegeschreven aan gebrek aan kennis of begrip, maar fundamenteel en permanent ontoegankelijk zijn.

Einstein twijfelt

A. Einstein was niet overtuigd en benadrukte dat de onzekerheden in de meting niet fundamenteel waren, maar werden veroorzaakt door onvolledige informatie, die, indien bekend, de meetresultaten nauwkeurig zou verklaren. De niet-deterministische theorie volgens dewelke men voor kwantumobjecten het golf of corpusculair karakter nooit in één experiment kan vastleggen en de waarneming de eigenschap bepaalt, was voor hem en verschillende van zijn collega’s onaanvaardbaar. Tegen N. Bohr zei hij: “Je gaat toch niet beweren dat de maan niet bestaat als ik er niet naar kijk”.

N. Bohr was niet voorbereid op de kritiek van A. Einstein en wuifde die weg. Maar wat de volgende dagen in de eetzaal en de gangen van Hotel Metropole in Brussel plaats vond, is een van de beroemdste wetenschappelijke debatten van de moderne tijd. Het ging de geschiedenis in als het Bohr-Einstein-debat over de betekenis van de kwantumtheorie.

De strategie van A. Einstein om het standpunt van N. Bohr te weerleggen bestond er uit om met gedachtenexperimenten aan te tonen dat het wel degelijk mogelijk is om met één enkel experiment vast te stellen of een kwantumobject nu een golf of een deeltje is. A. Einstein wou met andere woorden aantonen dat het complementariteitsprincipe niet klopte.

N. Bohr trok zich terug om de argumenten van A. Einstein te overdenken en kwam het volgende uur of de volgende dag terug met een antwoord. Maar A. Einstein had alweer een nieuw slim gedachtenexperiment bedacht, waardoor Bohr zich opnieuw moest terugtrekken. Het debat woedde dag en nacht tijdens het vijfde congres.

Het Bohr-Einstein-debat

N. Bohr was niet voorbereid op de kritiek van A. Einstein en wuifde die weg. Maar wat de volgende dagen in de eetzaal en de gangen van Hotel Metropole in Brussel plaats vond, is een van de beroemdste wetenschappelijke debatten van de moderne tijd. Het ging de geschiedenis in als het Bohr-Einstein-debat over de betekenis van de kwantumtheorie.

De strategie van A. Einstein om het standpunt van N. Bohr te weerleggen bestond er in om met gedachtenexperimenten aan te tonen dat het wel degelijk mogelijk is om met één enkel experiment vast te stellen of een kwantumobject nu een golf of een deeltje is. A. Einstein wou met andere woorden aantonen dat het complementariteitsprincipe niet klopte.

N. Bohr trok zich terug om de argumenten van A. Einstein te overdenken en kwam het volgende uur of de volgende dag terug met een antwoord. Maar A. Einstein had alweer een nieuw slim gedachtenexperiment bedacht, waardoor Bohr zich opnieuw moest terugtrekken. Het debat woedde dag en nacht tijdens het vijfde congres.

Einsteins nederlaag

De geest van deze heen en weer ontmoetingen tussen N. Bohr en A. Einstein wordt dramatisch weer gegeven door Paul Ehrenfest, die getuige was van het debat en soms bemiddelde tussen N. Bohr en A. Einstein, die hij beiden diep respecteerde:

“Brussel-Solvay was fantastisch…….. Bohr torent boven iedereen uit. Eerst wordt hij helemaal niet begrepen…, daarna verslaat hij stap voor stap iedereen. Natuurlijk, nogmaals de vreselijke Bohr-bezwerings-terminologie. Onmogelijk voor iemand anders om samen te vatten. (Elke avond om 1 uur ‘s nachts kwam Bohr mijn kamer binnen om EEN ENKEL WOORD tegen me te zeggen, tot drie uur ‘s nachts.).

Het was voor mij heerlijk om aanwezig te zijn tijdens het gesprek tussen Bohr en Einstein. Als een spelletje schaak komt Einstein de hele tijd met nieuwe voorbeelden. In zekere zin een soort Perpetuum Mobile van de tweede soort om de onzekerheidsrelatie te doorbreken. Bohr vanuit filosofische rookwolken, voortdurend op zoek naar de instrumenten om het ene na het andere voorbeeld de kop in te drukken. Einstein als een duveltje uit een doosje. Elke ochtend fris tevoorschijn springen. Oh, dat was onbetaalbaar.

Maar ik ben bijna zonder voorbehoud pro Bohr en contra Einstein. Zijn houding ten opzichte van Bohr lijkt nu precies op de houding van de verdedigers van absolute gelijktijdigheid vroeger jegens hem …”

Met tegenzin gaf A. Einstein zijn nederlaag toe aan het einde van de eerste ronde, maar hij werd niet verslagen. Drie jaar later kwam hij terug, gewapend met meer slimme gedachte-experimenten, klaar voor de tweede ronde in het debat.

Solvay Conference (3:17, Engels)

Einstein probeerde met een ingenieuze ‘anti-onzekerheidsmachine’ Heisenbergs onzekerheidsprincipe te omzeilen, maar Bohr liet zien waarom juist dit experiment perfect aantoont dat hoe meer je weet over het deeltje, hoe meer zijn golfgedrag verdwijnt.

Duiding: Albert Einsteins anti-onzekerheidsmachine

Het aangrijpende verhaal van Paul Ehrenfest, briljant docent en vriend van grootheden als Einstein, Bohr en Lorentz, die steeds meer worstelde met zijn plaats in de snel veranderende kwantumfysica en uiteindelijk ten onder ging aan zijn twijfels en persoonlijke tragedie.

Excursie: De tragiek van Paul Ehrenfest

Geen winnaars: het debat blijft voortduren

Duik in de meeslepende titanenstrijd van de moderne natuurkunde: het verwoede debat tussen wetenschappelijke grootheden dat de basis van onze werkelijkheid op haar grondvesten deed schudden. Van Einsteins ingenieuze ‘fotondoos’ en Bohrs briljante counter met Einsteins eigen relativiteitstheorie, tot het iconische gedachtenexperiment van Schrödingers kat en de mysterieuze EPR-paradox van kwantumverstrengeling; deze historische ontmoetingen lezen als een intellectuele thriller. Ontdek hoe deze giganten niet alleen streden om formules, maar om een fundamentele filosofische vraag: beschrijft de wetenschap de realiteit zoals die écht is, of geeft ze ons enkel een instrument om de toekomst te voorspellen?

De fotondoos

Het debat eindigde inderdaad niet in 1927. Het werd met evenveel brio verder gezet tijdens de Solvayraad van 1930.

Albert Einstein (1879 – 1955) komt met een nieuw gedachtenexperiment, gericht tegen het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg (1901 – 1976). Het kreeg de naam ‘fotondoos’. A. Einstein tracht daarmee, o.a. gebruik makend van E= m.c2 uit de bijzondere relativiteitstheorie, Niels Bohr (1885 – 1962) te overtuigen dat twee complementaire grootheden uit de matrixmechanica zoals energie en tijd wel tegelijkertijd precies kunnen gemeten worden.

N. Bohr werd in de war gebracht door deze uitdaging. Hoewel hij dadelijk aanvoelde dat A. Einstein iets over het hoofd had gezien, kon hij er niet meteen de vinger op leggen waar het fout zat. Die avond dwaalde hij van de ene deelnemer naar de andere, erg ongelukkig, in een poging hen te overtuigen dat A. Einstein geen gelijk kon hebben omdat dat het einde van de natuurkunde zou zijn. Aan het eind van de avond was N. Bohr niet dichter bij een oplossing en keek A. Einstein zelfvoldaan. De volgende ochtend verscheen N. Bohr echter moe maar opgewekt weer en leverde hij een meesterzet. Waar A. Einstein de speciale relativiteit tegen N. Bohr had gebruikt, gebruikte N. Bohr nu Einsteins eigen algemene relativiteitstheorie tegen hem.

Schrödingers kat

Op de Solvayraad van 1933 kan A. Einstein niet aanwezig zijn. Enkele weken voor de start is hij afgereisd naar de Verenigde Staten, op de vlucht voor het Nazi regime in Duitsland. E. Schrödinger zet het debat verder. Ook hij was inderdaad niet blij met de nieuwe situatie. Hij vond dat de realiteit toch onafhankelijk moest zijn van de waarneming en bedacht (samen met A. Einstein) een gedachtenexperiment om deze Kopenhaagse interpretatie in het belachelijke te trekken.

Het intussen zeer befaamde gedachtenexperiment zal de geschiedenis ingaan onder de naam ‘de kat van Schrödinger’. Dit gedachtenexperiment moet aantonen dat volgens deze interpretatie een kat tegelijkertijd levend én dood kan zijn… zolang er niemand kijkt. We komen hier uitvoerig op terug in de Albert Einsteinzaal.

Verstrengeling

In 1935 gaat A. Einstein terug in de aanval. Hij is nu verbonden aan het Institute for Advanced Studies aan de universiteit van Princeton in de Verenigde Staten. Hij publiceert samen met Boris Podolski (1896 – 1966) en Nathan Rosen (1909 – 1995) een artikel met als titel “Can quantum mechanical description of physical reality be considered complete ?” Vrij vertaald “Kan de kwantumbeschrijving van de fysische realiteit het laatste woord zijn?” Dit artikel gaat de geschiedenis in als de EPR paradox.

Het artikel bespreekt een denkexperiment waarmee de auteurs willen aantonen dat de kwantummechanica geen volledige theorie is omdat deze leidt tot de aanname van de onmiddellijke (d.i. sneller dan het licht) beïnvloeding van gekoppelde gebeurtenissen op grote afstand van elkaar. A. Einstein spreekt van “a spooky action at a distance”

Later wordt dit verschijnsel door E. Schrödinger verstrengeling (E. entanglement) genoemd.

Albert Einstein en zijn groep geraken mettertijd met hun attitude wel meer en meer geïsoleerd. Hij zal uiteindelijk toegeven dat de kwantummechanica niet verkeerd is, maar blijft erbij dat die theorie niet compleet is.

In een terugblik uit 1958 schrijft een optimistische Werner Heisenberg:

“Voor degenen onder ons, die hebben deelgenomen aan de ontwikkeling van de atoomtheorie, zagen de vijf jaar na de Solvayraad in Brussel in 1927 er zo prachtig uit dat we er vaak over spraken als de gouden eeuw van de atoomfysica. De grote obstakels die al onze inspanningen in de voorgaande jaren hadden beziggehouden, waren uit de weg geruimd, de poort naar een geheel nieuw veld, de kwantummechanica van de atoomschillen stond wijd open en vers fruit leek klaar om geplukt te worden. “

De strijd tussen A. Einstein en N. Bohr is eigenlijk een strijd tussen twee filosofische opvattingen over wat een wetenschappelijke theorie nu eigenlijk is of moet zijn: een beschrijving van de werkelijkheid zoals werkelijk is of een instrument om gebeurtenissen correct te voorspellen. Voor A. Einstein is het eerste het geval; voor N. Bohr en de zijnen het tweede. Deze strijd is nog lang niet gestreden.

×

Kwantumhuis

Het Kwantumhuis is een project op basis van onderzoek en redactiewerk van Henri Eisendrath en Gaston Moens.
Eindredactie & films Fonk vzw.

Tot stand gekomen dankzij de onontbeerlijke steun van Fonds Kristel Van Ouytsel, onze hoofdsponsor.

In samenwerking met…

© 2026 – Alle rechten voorbehouden. Vrij gebruik voor educatieve doeleinden in klasverband.